Geplaatst op 8 Reacties

Zintuiglijk schrijven

Elke schrijver wil dat de lezer zich verliest in zijn verhaal. Een aantal tips om dat te realiseren zijn al voorbij gekomen. Vandaag doen we daar een schepje bovenop door gebruik te gaan maken van onze zintuigen. Allemaal maken we gebruik van onze zintuigen. Om jouw verhaal nog geloofwaardiger te maken is het dan ook belangrijk om ‘zintuiglijk te schrijven’. We gaan vandaag dan ook laten zien hoe je dat het beste kunt doen.

Zien
We gebruiken de hele dag onze ogen. Je loopt op straat en neemt van alles waar. Een ruziënd stel op de hoek van de straat. Een menselijk standbeeld. Een billboard met daarop een mooie vrouw in lingerie. Maar we zijn ook op een andere manier visueel ingesteld. We kijken naar tv of naar ons beeldscherm. We gaan naar de bioscoop. Enzovoort.

Het is heel belangrijk om je lezer een goed beeld te geven en daar een indruk bij te schetsen. Waar is je personage? Wat ziet hij of zij? Welke beelden zijn belangrijk?

Horen
Zelf ben ik erg auditief ingesteld. Ik luister graag naar de teksten van liedjes op de radio. Ook gesprekken in bus, trein of elders vind ik erg interessant om ‘af’ te luisteren.

Zorg ervoor dat je hier in je tekst aandacht aan besteedt. Natuurlijk doe je dat door dialogen te schrijven. Maar ook door aan gesprekken te refereren. Ze vertelde me gisteren nog dat ze nog niet aan een vriendje toe was. En nu staat ze daar te flirten met Tibbe. Of door je personage een gesprek af te laten luisteren. Er zijn natuurlijk legio mogelijkheden.

Ruiken
Over ruiken zou ik hele pagina’s vol kunnen schrijven. Ik vind geur ontzettend belangrijk. ’s Morgens begint het al met het opspuiten van mijn favoriete geur Allure van Chanel. Ik kan niet zonder!! En elke dag brand ik wierook, daar kan ik echt van genieten. Maar denk ook eens aan de geur van vers gezette koffie. Of van een cake of een appeltaart die in de oven staat.
En aan de andere kant … ik kan echt gruwelen van zweetlucht.
Of … de alarmbellen die gaan rinkelen bij brandlucht.

Maak gebruik van geuren in je tekst. Zuig je lezer er je verhaal mee in. Beschrijf de geur uitgebreid en laat je lezer mee ruiken.

Proeven
Ook het zintuig proeven kun je goed in je verhaal verwerken. Laat je personage bijvoorbeeld iets proeven wat je zelf niet lust. En beschrijf dan het gevoel op de tong. De bittere smaak. Of juist zuur. Wat doet je personage. Houdt hij of zij zich groot en slikt hij of zij het vieze goedje door? Of spuugt hij of zij het uit, terwijl de rillingen over zijn of haar lichaam lopen.

Natuurlijk kun je ook overheerlijke geuren beschrijven. Aardbeien met slagroom. Warm appelgebak met kaneel. Bonbonbloc die op je tong smelt.

Leef je uit!

Voelen
Ik moet zelf altijd lachen om mijn kinderen. Die willen altijd voelen. Het maakt niet uit aan wat. Een muur. Een koekje. Aan schoenen. Make-up. Zelf hebben we die neiging niet zo. Misschien moeten we dat toch eens vaker doen. Natuurlijk weten we dat iets koud is. Of warm. Heel heet. Maar hoe voelt een glas? Glad. Toch een beetje ‘zacht’. De tafel? Hard. Met nerven of misschien glad? Voel en beschrijf dat gevoel.

Zesde zintuig: Intuïtie
Natuurlijk is het ook een must om te schrijven over intuïtie. Schrijf over het gevoel van je personage. Komt hij of zij ergens en wordt hij of zij ineens gespannen. Voelt hij of zij dat er iets staat te gebeuren? Dat het niet veilig is. Show it! Maar laat de andere kant ook zien. Dat je personage voelt dat het wel snor zit. Laat je personage iemand ontmoeten die goed (of slecht) nieuws heeft en je personage weet het al voor dat de ander het nieuws heeft kunnen vertellen.

Tot slot:

Oefening
Ik heb ooit eens, tijdens een workshop schrijven, een voorwerp aan een grondig onderzoek moeten onderwerpen. Op dat moment was dat een glas Coca Cola. Ik moest naar het glas en de cola kijken. Bruin/zwart. Bubbels. Doorzichtig. Ik moest er naar luisteren. Sissen. Ik moest voelen. Het koude van het glas. Het natte van de condens. En het natte van de cola. Daarna moest ik proeven. Lekker zoet. Koud. Prikkelend op de tong. Maar het was niet alleen de cola die ik moest proeven. Ook het glas. Koud en hard. Een beetje ‘glad’.

Probeer dat eens een paar keer. Het leukste is natuurlijk om dat te doen met een onderwerp van je personage. Leef je in. Schrijf er uitgebreid over.

Veel succes weer, schrijf ze en tot volgende week!!

Geplaatst op 5 Reacties

Show, don’t tell

De afgelopen weken hebben we al het een en ander over het schrijfproces besproken: Tips, richtlijnen, inspiratie, je personage tot leven laten komen, elementen voor een goed verhaal en het vertelperspectief.

Deze week wil ik ingaan op twee belangrijke thema’s:

  • Expliciet zijn
  • Show, don’t tell!

Wees expliciet

Wat bedoel ik met expliciet zijn …? Schrijf niet dat je personage drinkt. Nee, je personage drinkt koffie. Of nog beter, je personage drinkt een Latte Macchiato uit een groot glas met daarbovenop een laagje cacao. Op haar bovenlip heeft ze een melksnor.

Dus ook niet:

Je personage (in mijn geval Dido) heeft voor haar achttiende verjaardag een auto gekregen. Nee! Dido heeft voor haar achttiende verjaardag van haar ouders een felblauwe Renault Twingo gekregen. Met een schuifdak. En lichtmetalen velgen. Haar droomauto. Ze springt een gat in de lucht en belt meteen haar beste vriendinnen om het goede nieuws te vertellen.

Show, don’t tell!
De term zegt al wat de bedoeling is. Zeg niet wat er gebeurt maar laat het zien. Je verhaal zal beduidend aan geloofwaardigheid winnen en de lezer zal je verhaal in gezogen worden.

Laten we beginnen met een simpel voorbeeld.

Tell: Dido is verschrikkelijk boos.

Show: Dido’s wangen worden vuurrood en haar ogen spuwen vuur. Ze stampt de kamer uit en gooit de deur met een gigantische knal achter zich dicht. Zo!

Tell: Dido baalt dat het haar weer niet gelukt is om niet te snoepen. Op deze manier zal ze nooit afvallen.

Show: Dido kijkt naar de Bonbonblocverpakking. In een paar minuten tijd heeft ze bijna 1200 calorieën naar binnen gewerkt, leest ze. Met de verpakking nog in haar handen loopt ze naar de spiegel en bekijkt zichzelf uitgebreid. Haar billen zijn te dik. Door de katoenen broek heen ziet ze de putjes op haar dijen. Haar buik vertoont een bolling. Met een ruw gebaar maakt ze een prop van de verpakking en gooit deze in een hoek. Dan draait ze zich met gebogen hoofd om en sloft naar de wc. Ze kan maar aan een ding denken. Die calorieën moet weg. Dan steekt ze haar vinger in haar keel.

De lezer zal het voor waar aannemen als jij zegt dat Dido baalt omdat het haar weer niet gelukt was om niet te snoepen. Alleen zal hij of zij daar weinig emotie bij voelen. Maar als Dido haar vinger in haar keel gaat steken om de 1200 calorieën die ze net naar binnen gewerkt heeft weer te lozen, dan zal de lezer veel meer met haar begaan zijn.

De clou van Show, don’t tell is dus om de emotie van je personage niet te benoemen!

Een voorbeeld waar het expliciet beschrijven en het show, don’t tell in een scène samenkomt:
Je personage speelt een spelletje en wordt boos. Je weet nu dus dat je expliciet moet zijn en niet moet schrijven dat je personage een spelletje speelt. Nee, Dido (mijn personage) is Wordfeud aan het spelen. En nu wordt ze dus boos omdat ze alleen maar medeklinkers heeft. Dit laatste gaan we laten zien, niet vertellen.

Dido hangt op de bank met haar Blackberry in haar handen. Als ze de letters op haar scherm ziet verschijnen begint ze te vloeken. Alleen maar medeklinkers. Ze speurt het scherm af op zoek naar een mogelijkheid om toch een woord te vormen. Maar niets. Alweer niet. Ze moet nu voor de derde keer passen. Grommend drukt ze op de Resign knop. Dan staat ze op en smijt haar smartphone op de bank. Weg met het stomme spel! Ze gaat nooit meer Wordfeud spelen.

We hopen dat we jullie met deze tips weer wat handvaten gegeven hebben om jullie verhaal nog beter te maken. Succes!